Ook bij de familie v/d Spoel, die in een boerderijtje woonden achter de meibos aan de W.A.Nijenhuisweg zaten onderduikers.
Moeder Sietske was al jong weduwe ( haar man was al overleden voordat Pieter - de jongste - werd geboren) had tien kinderen waarvan alleen Fedde en Pieter nog thuis woonden toen de oorlog uitbrak.
Het volgende is het gedeelte over de oorlog uit een vertelling van Geert Mak ,dat in de“Groene Amsterdammer” van 1 mei 1985 stond en later in een iets andere vorm in zijn boek “hoe God verdween uit Jorwerd”
Dat er oorlog was, dat wisten ze direkt. Pieter: ,,Het was mei 1940. Ik stond me bij de regenbak te wassen toen Fedde, die al vroeg met z’n kalveren naar de markt was gegaan, opeens weer naast me stond. Hij zei:’De markt is gesloten, want de oorlog is uitgebroken.’En ik was 23 jaar.” De dag daarop zag hij de eerste Duitsers al, paardenvolk dat via Heerenveen naar de Afsluitdijk trok. ,, ze reden allemaal op paarden – ja,het was afschuwelijk,schandalig – maar wat een prachtige dieren , ja heel mooi”
Maar daarna doofde de aandacht weer. De kleine oorlog om het bestaan op de vierkante hektare drong al snel de grote strijd op de achter grond. Het land veranderde alleen als de schaduw van de wolken erover gleed. Vanuit de buitenwereld kwamen slechts halve berichten door. Fedde had er een paar koeien bij genomen, die hij voerde met schillen en afval dat hij langs de huizen ophaalde. Pas in september hoorde hij dat Rotterdam was gebombardeerd. Een jaar later verscheen de slager in Gorredijk opeens achter z’n toonbank met een gele ster op.
Na een paar maanden was hij verdwenen. ,,Nee, die hebben we nooit meer teruggezien”, zegt Goitsen
De buren hadden in hun armoede alle hoop gevestigd op de Nieuwe Orde. Minne en zijn moeder werden enthousiast lid van de nationaal-socialisten. Over Lammert de broer van Minne hoorde men via-via dat hij zich had aangesloten bij de zwarthemden. Hij ging zo te keer, dat hij ‘de schrik van Wolvega’ werd genoemd.
Op een dag kwam de veearts door het modderige landweggetje aangebaggerd. Of Sietske een paar joodse onderduikers wilde nemen. Ze zaten nogal omhoog. Sietske veegde haar handen aan haar schort af en knikte:
,,Nou ja, breng die mensen maar, die moeten ook geholpen worden. “
Het werd de eerste van een lange reeks onderduikers, door de hele oorlog heen. Mijnheer Tof was eigenaar van een grote textielzaak in Heerenveen. Hij kwam in augustus 1941. In oktober volgde zijn vrouw met hun kleine jongen van anderhalf jaar: Moritz. Het kind is niet lang gebleven. Het scharrelde immers wel eens over het erf, en dat konden de buren zien. Op een dinsdagavond in november is hij weggehaald, naar een ander onderduikadres. Tof mocht zijn zoontje nog door het land naar de weg dragen, dat kon wel, omdat het toch donker was. Later heeft Fedde de rand van het erf volgeplant met wilgen en vlierstruiken, tegen de inkijk.
De familie Tof is tot in 1943 gebleven. Pieter: ,,Het kan niet altijd koek en ei zijn, maar waar is waar: we hebben veel plezier beleefd.” Alle avonden zaten ze te kaarten, maar als er vreemd bezoek kwam vlogen ze de bedstee in. ,, Ze moesten zich daar natuurlijk doodstil houden, soms urenlang. Maar als ze er dan weer uit mochten, dan was het praten en lachen natuurlijk. “
Na anderhalf jaar ging het mis. De oude buurvrouw, de moeder van Minne en Lammert, kwam onverwacht langs voor een praatje. De Tofs konden niet snel genoeg in de bedstee komen. Ze zag nog net een voet en een been.
De volgende dag zijn ze weggehaald, naar een ander onderduikadres. Maar er is nooit een inval gekomen.
Pieter laat me de menukaart zien die hij heeft opgediept uit zijn spullen: ,,LUNCH, ter gelegenheid van het BARMITSWAHFEEST van onze zoon MORITZ 18 siwan 5714/19 juni 1954,” ,,Ik ben er alleen heengegaan, Fedde wou niet. “ Er zijn ook bomen in Israel voor hem en zijn moeder geplant, en voor Fedde, en ze zijn ook voorgedragen voor een eremedaille.
Na de oorlog werd Lammert ter dood veroordeeld, maar later is dat omgezet in gevangenisstraf.
En Minne kwam nog regelmatig bij Fedde voor een praatje en een borrel.
Lees ook het artikel in de Leeuwarder Courant van 2 mei 1970: Waarom ben ik overgebleven? >>
Lees ook Katlijk komt ook voor in boek over Joodse onderduikers >>
Nog wat eigen herinneringen
Fedde en Minne herinner ik mij nog wel uit mijn jeugdjaren.Fedde was de schillenboer van Katlijk. Ik weet nog, toen we nog klein waren boven op de volle zak met schillen mochten zitten die voorop zijn transportfiets stond en dan een klein stukje mee mochten rijden ,tot het hoekje bij smid Tadema, en deze (jutte) zakken werden door Fedde zo volgestouwd dat ze nog net met een stukje touw dicht waren te knopen.
De transportfiets was HET vervoermiddel voor Fedde, hij had er zo’n stuk of 8. Ik herinner mij nog dat hij ook eentje had met wel vingerdikke spaken,(dat vond je als klein jongetje toch wel heel vreemd) dit kwam gewoon omdat hij altijd door het meestal modderige pad van de meibos moest om op de verharde weg te komen ,en doordat die modderbende om de spaken bleef kleven leek het net alsof het hele dikke spaken waren.
Hij had ook geen hond voor het bewaken van het erf, dat deed zijn bok wel. Fedde is overleden in 1972.
Minne woonde in een boerderijtje een paar honderd meter westelijk van Fedde. Daar Fedde recht van pad had door de meibos en Minne niet , moest die door de weilanden om bij zijn huis te komen.
Het huis lag vol met motor-en brommeronderdelen, tot zelfs in de bedsteden, waar hij wat in handelde.
Wij zijn er ooit eens geweest om bromfiets onderdelen, maar het meeste was zo gedateerd ( het zou nu een goudmijn zijn) dat er voor ons niets bij zat.
Minne reed zelf ook motor. Ik zie hem nog rijden,het kleine mannetje op een wat te grote motor (JAVA ?) rechtop zittend en met zijn onafscheidelijke “ pukkel “op de rug. Minne is later verhuist naar W.A. Nijenhuisweg 53 , waar hij een bungalow heeft laten bouwen ( er stond een oud huisje wat al jaren leeg stond) en is in 1992 overleden.
De boerderijtjes zijn nu via het Imke Klaverpad te bereiken