Wim is geboren in januari 1928 in Beets, in een woonboot. Hij is de middelste van vijf kinderen. Op zijn twaalfde jaar kwam Wim met z'n familie in Katlijk wonen. Daarvoor was het gezin wel twaalf keer verhuisd, allemaal rondom Beets en Haulerwijk. Zijn lagere school tijd heeft hij in Haulerwijk doorgebracht, waar hij anderhalf uur lopen van school woonde.
Ik zou hier nooit meer weg willen, we wonen hier mooi, met een prachtig uitzicht. Als anderen mensen het hier willen kopen, dan moeten ze mij er maar bij kopen... |
Wim: "Wij verhuisden van Haulerwijk naar Katlijk in mei/juni 1940. Net toen de oorlog was uitgebroken. Alle auto's werden in die tijd verstopt voor de Duitsers. Maar wij moesten verhuizen en er was geen vervoer. Er is veel moeite gedaan om de bezetter te overreden om een verhuiswagen voor het gezin te krijgen. Men was erg argwanend. We zijn dan ook onder begeleiding van de Duitsers naar Katlijk gereden. Toen we aankwamen bij onze nieuwe boerderij, zat het andere gezin met hetzelfde probleem. Ook zij konden niet vertrekken. Al met al hebben wij met ons zevenen een week in de stal gewoond, en het vertrekkende gezin kon niet anders dan voorin blijven zitten. Het gezin heette Van der Honing, en leefde nota bene van de vrachtrijderij; met paard en wagen natuurlijk. Ze moesten wachten tot ze mochten vertrekken."
Met 12 jaar moest Wim naar school, de vroegere Nijenhuisschool in Katlijk. Hij is daar maar een half jaar geweest, enerzijds omdat het oorlog was, en anderzijds omdat de meester ook veel ziek was en er dan geen les werd gegeven. En verder waren de kinderen thuis ook hard nodig om op het veld te werken.
Wim: "Toen wij hier kwamen was het allemaal heide. Mijn ouders hadden het boerderijtje met 6 ha heide gekocht. De Heidemij uit Jubbega heeft de heide uitgestoken en wij moesten het land weer vruchtbaar maken. Nee, mest was er niet, want we hadden in het begin geen vee. De mest die erop gegooid werd, heette dwingels. Dat was mest uit de stad (...). Dat stonk verschrikkelijk. We haalden het van boten die in Mildam lagen aangemeerd. Zo bemesten wij de tarwe, haver en aardappels. Van de opbrengst werden langzamerhand koeien gekocht." "Ik heb veel gespeeld met Wolter Achttien en Johannes Trinks. Het waren jongens die hier al in het dorp woonden. We mochten graag kattenkwaad uithalen. Tegenover ons boerderijtje stonden twee dubbele woningen, waarin veel kinderen woonden. Even tellen; bij ons waren het er vijf, de overburen hadden 11, en de anderen ook wel elk zes kinderen. We speelden, als we niet op het land hoefden te werken, met wel 25 kinderen op de weg en vooral veel in het bos.
Wat mijn liefhebberij was? Ik mocht graag konijnen vangen. Ik had een goed afgerichte hond, die rook de konijnen in hun hol. Ik groef ze dan uit, en bracht ze naar vrachtrijder Sietse Wijbenga, die ze in Heerenveen verkocht. Ik kreeg in de oorlog 12 gulden voor een konijn, dus ik wilde best wel goed worden in het vangen."
"Hoe ik de oorlog beleefd heb?
Ik vond de oorlog als jongen spannend. Er vlogen vaak 's avonds vliegtuigen over. Daar keken we allemaal naar. De Duitsers deden veel oefeningen in het bos achter onze boerderij. Het waren jongens van soms nog geen 16 jaar. Er was op het erf een 'hok' gestapeld van hooipakken, waar hun bazen in zaten te wachten, tot de jongens klaar waren met oefenen. Ik wist niet wat er gebeurde in de rest van de wereld tijdens de oorlog, dat besef je pas later. Toen was het alleen maar interessant. De bom die is gevallen bij boerderij De Heuvel hebben we gehoord als een doffe klap. We zijn gaan kijken, en er zat een grot gat in de grond.""Na de oorlog is bijna alle zand rondom de Breedsingel afgegraven en gestort in Heerenveen. Vanuit ons huis kon je de woningen aan de W.A. Nijenhuisweg niet zien, zulke hoge duinen lagen er. Het waren natuurlijke duinen, van oorsprong stuifzand vanuit Appelscha. Er zijn ooit bodemonderzoekers geweest in dit gebied, en ze hebben me een doorsnee monster laten zien van ons land. Je kon bodem zien uit de ijstijd, een heidebrand uit 1600, en het stuifzand. De laag van de heidebrand zat ongeveer 3 meter in de grond." En: "De Breedsingel was een zandpad tot ongeveer halverwege de jaren 60. En in het voorjaar bloeide de brem volop langs de singel; een prachtig gezicht."
"In de oorlog zelf hebben we tabak verbouwd op ons land. Als de bladeren een bepaalde hoogte hadden, zo'n 1,30 meter, werden deze geplukt. We hingen ze te drogen over balken achter in de schuur. Ik heb de tabakssnijder zelfs nog. We sneden smalle reepjes van de gedroogde bladeren. Ja, iedereen rookte in de tijd. Ze kwamen vanuit Heerenveen naar ons toe om tabak te kopen; vooral de politie. We verkochten het in een zakje, volgens mij stond er Virginia op. We hadden daardoor veel aanloop."
Zijn vrouw Griet komt met een luchtfoto van de boerderij. "Nadat we getrouwd zijn, woonden we bij Wim's ouders in. We hebben een jaar in een slaapkamer gewoond met z'n beiden. Daarna zijn de ouders verhuisd naar Mildam. Zoals je ziet is er een waterput achter huis. Het water uit deze wel was prachtig schoon en helder. Lekkerder dan uit een regenwaterbak. Ja, je moest meerdere keren per dag achter uit het land water halen; voor de was, voor de thee, voor het koken. Pas nadat drie van onze kinderen geboren waren, werd hier elektriciteit aangeboden. Zo rond 1960 is dat hier aangelegd. Daarna volgden pas water en gas".
Wim: "Mijn vader kon wellen opsporen. Hij deed dat met een soort gebogen stokjes; ja, een wichelroede. Overal in de omgeving werd hij gevraagd als er een waterader gezocht moest worden. Kwam hij bij een wel, dan beefde de wichelroede zo krachtig, dat de bast van de stok sprong. Ik heb het zelf ook wel eens geprobeerd, maar mij lukte het niet." Griet vervolgd: "Rond die tijd kregen we ook telefoon. Het was een probleem als je met een bevalling een dokter moest bereiken. Wim moest dan 's nachts snel naar de smederij van Tadema, nu Piek, fietsen om de dokter te waarschuwen. Gelukkig woonde een baakster tegenover mij, maar die mocht geen bevallingen doen. Bij ons vierde kind, konden we gelukkig thuis zelf een dokter bellen."
Wim vult aan: "Ik weet nog dat we geen elektrisch licht hadden toen ik hier net woonde. Iemand in het dorp had bedacht dat je met hard trappen op de fiets in de woonkamer ook licht kon krijgen. Dat hebben we toen gedaan. Wij kinderen vonden het een prachtige uitvinding om 's avonds op die fiets te trappen. We vochten er bijna om wie er het eerst op mocht. Na een tijd was de lol eraf, en vochten we erom wie er niet op hoefde. Daarna begon het gesjouw met carbidlampen weer."
Getrouwd
Wim: "Wanneer en waar we getrouwd zijn... even denken, dat was in het café in Katlijk. Het huis waar Jeen Bruinsma nu woont, daar hebben we het feest gevierd. Er was een zaal over de breedte van het huis, waar café werd gehouden. De uitbater woonde achterin, en later is daar nog een winkeltje bij gekomen. We zijn getrouwd in mei 1952. Er zijn vier kinderen geboren in de loop van de tijd: Jan, Immie, Koen en Henk."Wim de Jager is een echt verenigingsmens. Hij heeft de damclub Kalijk-Mildam opgericht. Wim: "Dat kwam zo: Kees Woudstra, de slager uit Mildam, kwam bij de mensen langs om vlees te verkopen. Vaak bleef hij even een praatje maken, en dan vroeg hij om even te dammen. Zo kwam het dat we met plezier elke week damden. We kwamen op het idee om een club op te richten. We zijn begonnen in het Katlijker café. Na een aantal jaren begon het café een wat dubieuze naam te krijgen; er kwamen hoeren werd er gezegd. De lol van het dammen was er daar af. We hebben nog een heel gedoe gehad om onze damstenen en dambord terug te krijgen, toen er een nieuwe eigenaar kwam. Die zei dat hij het café had gekocht mét inventaris, dus ook met onze damspullen van de club. Er moest zelfs politie aan te pas komen om de stenen terug te krijgen. We zijn daarna met de club verhuisd naar het café aan het eind van de W.A. Nijenhuisweg, waar nu Jos Boelhouwer woont. Daar woonde bakker Haanstra, en die had ook een café. Ik ben 40 jaar bij de damclub geweest en heb een gouden speldje gekregen. Ik ben nu erelid van de damclub Katlijk-Mildam. We speelden vaak één tegen één, van 's avonds 8 uur tot 12 uur. Heel rustig en geconcentreerd. Nu dam ik eigenlijk niet meer; ik los vaak kruiswoordpuzzels op. Geen van mijn kinderen heeft de liefde voor het dammen overgenomen, maar twee van de kleinkinderen, een tweeling, vind het wel leuk. Maar dammen moet je leren, anders is het spel zo voorbij."
Hij was geen leerder, zoals hij het zelf zegt. Hij hield meer van kattenkwaad. De straffen op school waren ook veel erger voor een vergrijp. Hij noemt als voorbeeld de school in Haulerwijk: "We werden vaak in een kist gestopt die in de klas stond. Dan werd je als kind ongedurig en duwde je met je rug de kist open. Dan duwde de meester de kist weer dicht. Eén keer ging hij er zelfs op zitten om de jongens erin te houden. Toen duwden we zo hard, dat de meester op de grond viel." En: "Omdat we zo ver lopen van school woonden, bleven we tussen de middag op school. We mochten niet van het plein. De meester at in het voorhuis, en wij gingen, als het warm was, stiekem naar de vaart achter de school. We zwommen zonder kleren, dat deden ze allemaal. Eenmaal kwam de meester tussen de middag naar de dorpswijk, en sommeerde dat we eruit moesten. Wij durfden niet vanwege de straf. Hij pakte onze kleren, en wij moesten in ons blootje door het dorp lopen om op school te komen." Toen Wim en Griet net waren getrouwd, werd Wim ziek, behoorlijk ziek. Hij bleek de ziekte van Besnier Buch te hebben. Uiteindelijk moest hij anderhalf jaar liggend in bed doorbrengen. Bloed prikken gebeurde in Heerenveen bij het consultatiebureau.
Wim: 'Ik moest vervoerd worden met een ziekenauto. Niet met een taxi, want ik mocht niet rechtop zitten. Ik moest 4 eieren per dag eten. De dokter zei dat de ziekte een soort broertje was van de tbc, maar niet besmettelijk. Omdat ik niet meer mocht bewegen, kwam ik flink aan. In het begin van de ziekte was ik heel mager, en na anderhalf jaar was ik tot 180 pond gegroeid. Ik was blij dat ik niet naar een sanatorium moest. Daar gingen de tbc-patiënten wel naar toe. Sommigen kregen een tentje in de tuin als ze aan die ziekte leden. Gelukkig heeft mijn vader mijn werk op het land overgenomen, want ik kon zo de kost niet meer verdienen."
Wim: 'Ik ben altijd boer geweest, tot omstreeks mijn vijftigste. Daarna kwam de ruilverkaveling, en moesten kleinere boeren kiezen: óf groeien, óf stoppen. Ik heb gekozen voor het laatste, want de kinderen wilden toch geen boer worden. Ik ben een tijd bosarbeider geweest in Oranjewoud, heb jaren een loonbedrijf gehad en heb kabel-tv aangelegd in Leeuwarden. Met een aantal mensen uit Katlijk die ook een agrarische achtergrond hadden, kregen we dat werk. We gingen naar Leeuwarden met een busje. Ja, voor mij had de ruilverkaveling een grote invloed."
Ik vraag of hij tevreden is met het wonen in Katlijk. Wim: "Ik zou hier nooit meer weg willen. Vaak komen er hier mensen om naar de bouwkavel te vragen. Het klopt, we wonen hier mooi, met een prachtig uitzicht. Het is ook meer de familiegeschiedenis die je hier houdt; het feit dat je hier vroeger bent gekomen met je ouders. Ik vind het jammer dat ik niet meer zo goed loop. Maar ik heb graag altijd wat te doen. ik vind de omgeving hier mooi en rustig. Ze moeten hier niet teveel veranderen. Als anderen mensen het hier willen kopen, dan moeten ze mij er maar bij kopen..."
Interview door oomzegger Sytie